Novartis wereldwijd | blijf verbonden | contact | help | sitemap

 
 

 

 

 
New Form Entry Import Edit Upload Submit

Onderzoek

Chronische Myeloide Leukemie

 

 

Vormen van leukemie

Leukemie is een bloedziekte met een overproductie van witte bloedcellen en wordt veroorzaakt door een ontregelde groei van verschillende soorten witte bloedcellen. Afhankelijk van het soort bloedcel dat de ziekte veroorzaakt, wordt er gesproken van lymfatische of myeloïde leukemie. Daarnaast wordt er ook een onderscheid gemaakt in acute en chronische leukemie. Chronische myeloïde leukemie (CML) is één van de vier hoofdvormen van leukemie. CML wordt veroorzaakt door een ontregeling van de groei in bepaalde typen witte bloedcellen. Het verloop van de ziekte kan worden onderverdeeld in drie fasen.

 

 

De verschillende fasen van CML

Chronische fase

Tijdens de chronische fase is de milt vergroot en wordt een verhoogde hoeveelheid witte bloedcellen en soms ook een verhoogde hoeveelheid bloedplaatjes gevonden. Vaak hebben patiënten geen specifieke klachten tijdens deze fase. Klachten die in de chronische fase op kunnen treden zijn bloedarmoede, moeheid, pijn in de linkerbovenbuik en gewichtsverlies. Soms wordt de ziekte per toeval ontdekt. 

Acceleratiefase

De chronische fase wordt gevolgd door een overgangsfase, die de acceleratiefase wordt genoemd. In deze fase stijgt het aantal witte bloedcellen sterk en worden er steeds meer onrijpe witte bloedcellen (blasten) in de circulatie gevonden. De toename van het aantal blasten wordt veroorzaakt doordat voorlopercellen (stamcellen) in het beenmerg het vermogen hebben verloren om uit te groeien tot functionele witte bloedcellen.

Blastencrisis

Wanneer er meer dan 30% blasten in het bloed gevonden wordt, spreekt men van een blastencrisis. De prognose voor patiënten in de blastencrisis is slecht.

 

 

Oorzaak en incidentie

Philadelphia chromosoom

Bij 95% van de patiënten met CML wordt een abnormaal chromosoom gevonden, het Philadelphia chromosoom. Het Philadelphia chromosoom ontstaat doordat een stukje van chromosoom 9 van plaats wisselt met een stukje van chromosoom 22, via een proces dat reciproke translocatie genoemd wordt. Zowel op chromosoom 9 als op chromosoom 22 breekt het chromosoom midden in een gen. Op chromosoom 9 is dat het abl-gen en op chromosoom 22 is dat het bcr-gen. Door de translocatie onstaat er een fusiegen, het bcr-abl gen, op chromosoom 22. Dit gen codeert voor een functioneel eiwit, dat het BCR-ABL eiwit genoemd wordt. Het BCR-ABL eiwit blijkt als een bepaald soort enzym, een tyrosine kinase, te werken en verantwoordelijk te zijn voor de sterke groei en abnormale ontwikkeling van witte bloedcellen in CML. Zowel het Philadelphia chromosoom als het bcr-abl gen zijn met verschillende technieken aan te tonen.

De kans op CML

Per jaar wordt bij ongeveer 200 nieuwe patiënten CML geconstateerd in Nederland. De diagnose CML wordt gemiddeld op een leeftijd tussen de 40 en 60 jaar gesteld. CML komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen.

 

 

Behandelingsmogelijkheden

CML kan alleen door een beenmerg- of stamceltransplantatie worden genezen. Veel CML-patiënten komen echter niet in aanmerking voor een beenmerg- of stamceltransplantatie. CML kan ook behandeld worden met medicijnen zoals interferon-alfa, hydroxycarbamide of busulfan. Deze stoffen kunnen het leven van een CML-patiënt verlengen, maar genezen de ziekte niet. In 2001 is een nieuw medicijn, imatinib, beschikbaar gekomen.

Beenmerg- of stamceltransplantatie
Bij een beenmerg - of stamceltransplantatie worden de bloedcellen van de patiënt door behandeling met celdodende stoffen (cytostatica) en bestraling (radiotherapie) vernietigd, waarna er nieuwe stamcellen aan de patiënt gegeven worden. Zijn deze stamcellen afkomstig van een donor, dan wordt er gesproken over een allogene transplantatie, zijn ze afkomstig van de patiënt zelf, dan spreekt men over een autogene of autologe transplantatie. Wanneer de stamcellen afkomstig zijn uit het beenmerg, wordt er gesproken van een beenmergtransplantatie (BMT), wanneer de stamcellen uit het bloed gehaald worden, is er sprake van een stamceltransplantatie (SCT). Deze stamcellen groeien vervolgens weer uit tot nieuwe bloedcellen. Het duurt enkele weken voordat de patiënt weer nieuwe bloedcellen heeft; gedurende die tijd is de patiënt zeer vatbaar voor infecties. Ook kan een soort afstotingsreactie optreden, waarbij de donorcellen de cellen van de patiënt aanvallen (graft-versus-host reactie). Tenslotte kan de CML weer terugkomen, met name na een autologe transplantatie. De kans op overlijden is sterk afhankelijk van de onderliggende ziekte, de voorbehandeling, leeftijd en conditie.

Interferon-alfa
Interferon-alfa (Intron A®, Roferon®) is een lichaamseigen stof, die de ongeremde celdeling, die bij CML optreedt, sterk kan remmen. Behandeling met interferon kan leiden tot een sterke vermindering van het aantal abnormale cellen. In sommige gevallen treedt een normalisatie op van het bloed, waarbij cellen met het Philadelphia chromosoom niet meer aantoonbaar zijn. Soms wordt ook een celdodend middel (cytostaticum), cytarabine (Cytosar®), erbij gegeven. Interferon-alfa, gecombineerd met cytarabine, is de eerste behandeling die gegeven wordt aan CML-patiënten, die geen beenmerg- of stamceltransplantatie kunnen ondergaan. Helaas leidt behandeling met interferon-alfa vaak tot bijwerkingen zoals koorts, vermoeidheid, hoofdpijn en spierpijn. Door het optreden van bijwerkingen is het soms niet mogelijk om de optimale dosering te bereiken. Wanneer behandeling met interferon-alfa gestopt wordt, komt de CML weer terug.

Hydroxycarbamide
Hydroxycarbamide (Hydrea®) is een cytostaticum, dat hoge celaantallen snel naar beneden kan brengen. Patiënten, bij wie net CML vastgesteld is, hebben vaak zeer hoge celaantallen. Hydroxycarbamide kan dan gebruikt worden om deze snel omlaag te brengen, waarna behandeling met interferon-alfa kan starten. Het middel kent weinig bijwerkingen, maar kan niet voor langdurige behandeling van net ontdekte CML gebruikt worden, omdat het aantal cellen met het Philadelphia chromosoom vrijwel niet wordt beïnvloed. Hydroxycarbamide wordt ook gebruikt om patiënten te behandelen, die uitbehandeld zijn met interferon-alfa.

Busulfan
Busulfan (Myleran®) is een cytostaticum en is het oudste medicijn, dat gebruikt wordt voor de behandeling van CML. Het middel kent helaas veel bijwerkingen, vooral op de langere termijn en wordt tegenwoordig alleen gebruikt bij patiënten, die niet meer voldoende reageren op de andere beschikbare therapieën.

Imatinib
Imatinib (Glivec®) is een middel, dat specifiek ontworpen is om het BCR-ABL eiwit, dat verantwoordelijk is voor de ontregelde celgroei bij CML, te remmen. Klinisch onderzoek heeft aangetoond, dat imatinib bij een groot aantal patiënten leidt tot een sterke vermindering van het aantal abnormale cellen of zelfs een normalisatie van het bloed. De bijwerkingen die kunnen optreden zijn milder dan de bijwerkingen die met interferon-alfa kunnen optreden en zijn met name lichte misselijkheid, braken, diarree, spierpijn en spierkrampen, huiduitslag en het vasthouden van vocht (met name rond de ogen). Imatinib kan via de mond ingenomen worden, terwijl zowel interferon-alfa als cytarabine geïnjecteerd moeten worden.
Imatinib kan worden toegepast bij patiënten bij wie voor het eerst CML gediagnosticeerd is en die niet in aanmerking komen voor een stamceltransplantatie. Daarnaast kan Glivec ook worden toegepast bij patiënten met CML bij wie interferon-alfa niet meer voldoende werkt.
Uit de vijfjaars resultaten van een langlopende studie met imatinib blijkt dat 89% van de CML-patiënten (in de chronische fase) na 5 jaar nog in leven is.


Overige indicaties van Glivec
Naast bovengenoemde indicatie is imatinib geregistreerd voor de behandeling van de volgende aandoeningen:

Philadelphiachromosoom-positieve Acute Lymfatische Leukemie (Ph+ ALL)

  • volwassen patiënten met nieuw gediagnosticeerde Philadelphia chromosoom positieve acute lymfoblastaire leukemie (Ph+ ALL) geïntegreerd met chemotherapie.
  • volwassen patiënten met recidiverende of refractaire Ph+ ALL als monotherapie.

Hypereosinofiel syndroom (HES) of Chronische Eosinofiele Leukemie (CEL)

  • volwassen patiënten met refractaire hypereosinofiel syndroom (HES) en/of chronische eosinofiele leukemie (CEL) met FIP1L1-PDGFRa herschikking of met onbekende mutatie status.

MPD/MDS

  • volwassen patiënten met myelodysplastische/myeloproliferatieve ziekten (MDS/MPD) geassocieerd met herschikkingen van het platelet-derived growth factor receptor (PDGFR) gen.


Dermatofibrosarcoma protuberans

  • volwassen patiënten met niet-reseceerbare dermatofibrosarcoma protuberans (DFSP) en volwassen patiënten met terugkerende en/of gemetastaseerde DFSP die niet in aanmerking komen voor chirurgie.


Nieuwe middelen

Een klein deel van de nieuw gediagnosticeerde CML-patiënten reageert onvoldoende op Glivec of kan het middel onvoldoende verdragen. Deze patiënten kunnen in aanmerking komen voor behandeling met nilotinib of dasatinib.

 

 

Meer informatie

Heeft u vragen over de tekst op deze pagina? Vul dan ons reactieformulier in.

Klik hier voor het bekijken van de bijsluitertekst van Glivec.

Verder verwijzen wij u graag naar www.novartisoncology.com

Voor meer informatie kunt u ook terecht bij de volgende organisaties:

Stichting Contactgroep Leukemie
p/a Het Rijpaard 32
8252 EV Dronten

Telefoon:
Algemeeen: 030-2916090
Lotgenotencontact: 0800 - 0226622

email: info@leukemie.nfkpv.nl

internet: www.kankerpatient.nl/leukemie

KWF Kankerbestrijding
Postbus 75508
1070 AM Amsterdam

KWF infolijn (gratis): 0800-0226622 (09.00-12.30 en 13.30-17.00)
Internet: www.kankerbestrijding.nl

Vereniging Ouder, Kinderen en Kanker (VOKK)
Schouwstede 2d, 3431 JB Nieuwegein
Tel: 030-242 29 44
Email: bureau@vokk.nl
Internet: www.vokk.nl

 

JAARVERSLAG 2012